Algemene tips en Spaanse oefeningen

Spaans-voor-de-basisschool-

Algemene tips voor de leerkracht:
♦ Stimuleer de kinderen vanaf les 1 om (met de computer) informatie te verzamelen over onderwerpen die met Spanje en Latijns Amerika te maken hebben. Er zijn enorm veel leuke sites voor kinderen op dit gebied. Zo vergroten ze niet alleen hun taalkennis, maar ook hun culturele kennis. Een speciale selectie van deze links kun je vinden op deze site.

♦ Laat de leerlingen woordenlijsten maken in wrts.nl of Wozzol.nl, dan kunnen ze er leuke oefeningen mee maken en op die manier de woordjes goed leren! Er staan ook al lijsten van vrijwel alle hoofdstukken op wrts en Wozzol.

♦ Misschien is een abonnement op het tijdschrift ‘¿Qué tal?’ iets voor uw school? Kijk voor meer info hier.

♦ Kijk – via onze site – naar leuke korte Youtube-filmpjes in het Spaans.

♦ Veel wat oudere kinder-dvd’s zoals bijvoorbeeld van Dora, kun je zo instellen dat ze in het Spaans nagesynchroniseerd of ondertiteld worden. Huur een Spaanstalige DVD/CD bij de bibliotheek, zoals van Belle Perez of Zorro.

♦ In elke les komt de spreekvaardigheid natuurlijk aan de orde, onder andere met behulp van de actividades en de juegos. Het is raadzaam om ook steeds weer vragen uit eerdere hoofdstukken te stellen. Door te herhalen, wordt het gemakkelijker.

Extra actividades:
Hier volgt een aantal extra oefeningen dat op elk niveau gebruikt kan worden. Het is verstandig om er al na drie lessen (voorzichtig) mee te beginnen en het steeds uit te breiden.

Tarjetas con los verbos
Maak kaartjes met de behandelde werkwoorden. Oefen in tweetallen. Eén leerling geeft een kaartje met een heel werkwoord aan de andere leerling. De andere leerling gooit met de dobbelsteen. 1 is eerste persoon, 2 is tweede persoon etc. Later kun je ook het persoonlijk voornaamwoord erbij zeggen (yo, tú, etc.). De andere leerling moet het werkwoord in de juiste persoonsvorm vervoegen. Deze oefening kun je doen in de presente en later in de verleden tijd. Met een dobbelsteen kun je het ook alleen doen.

Memoria
Bedenk een thema, bijvoorbeeld: ropa, casa of animal. Drie leerlingen gaan de klas uit en drie andere leerlingen noemen drie dingen op die met het thema te maken hebben. Dan roep je de leerlingen weer de klas in. Zij moeten binnen één minuut de drie genoemde dingen raden. Het wordt leuker als je het zo snel mogelijk doet of met meer woorden per keer.

Formar grupos
Maak kaartjes met bijvoorbeeld mensen uit Spanje/Latijns-Amerika:
4 pintores, 4 zangers of zangeressen, 4 popgroepen etc. Je kunt ook thema’s nemen:
4 kledingstukken, 4 meubelen, 4 dingen uit de klas, vier dieren, etc. De kinderen moeten elkaar dan zoeken om een groepje te vormen.

Geografía
Xtec.cat is een website met didactische interactieve (land)kaarten en spellen om meer te leren over Spanje. Hier leren je leerlingen ook spellen, hoe de verschillende Comunidades españolas heten, waar ze liggen en wat de Spaanse provincies, bergen en rivieren zijn. Er zijn ook kaarten en spellen over Latijns-Amerika.

Cijfers
Spelend Spaanse cijfers leren via deze link. Dit is een website met didactische spelletjes om de cijfers te oefenen. Er staan trouwens veel meer oefeningen op deze link: aardrijkskunde, schrijfvaardigheid, werkwoorden etc.

Portfolio
Bij sommige oefeningen staat het woordje PORTFOLIO. Die oefening leent zich dan goed om in het portfolio van de leerling op te nemen. Laat de leerlingen al na de eerste les een map meenemen met insteekhoezen of iets anders waar ze losse velletjes netjes in kunnen opbergen. Het liefst iets speciaals natuurlijk! Dit wordt hun portfolio. Na een jaar zitten er een heel aantal gemaakte opdrachten in, zodat de voortgang van de leerling goed te zien is. Er kunnen ook foto’s in van de les of van voorstellingen die de leerlingen hebben gegeven tijdens speciale lessen.

Bij de inleiding (pagina 5): hoe start ik de lessen op?
Begin de les met te vragen of de leerlingen weten wie Zorro is. Wat weten de leerlingen over hem? Klik hier voor extra informatie. In de gehele leergang speelt Zorro de hoofdrol. Er is voor de personage Zorro gekozen omdat hij bekend is bij praktisch iedereen. Zorro komt uit Latijns-Amerika, uit Mexico. Hij is een mythische figuur, stoer maar ook grappig. Doordat hij als rode draad in alle hoofdstukken terugkomt, zit er samenhang in de methode. De kinderen kunnen zich identificeren met Zorro of met een van zijn vrienden of vriendinnen. Je kunt van alle woorden die de kinderen noemen meteen een woordweb maken op het bord. (visualiseren!)

Lees vervolgens gezamenlijk de twee tekstjes en laat de leerlingen de bijbehorende oefeningen maken. Bespreek ze daarna. De inleiding is bedoeld om Zorro te introduceren.

Vraag eens wat de leerlingen allemaal al weten over Spanje of Latijns-Amerika of Mexico.
(eventueel kun je de onderwerpen opsplitsen.) Breng nu Mexico in verband met Zorro.
Maak hier woordwebben van op het bord.

Voorbeelden voor andere woordwebben zijn:
Spanje: paella, zon, kusten, stranden, voetbal.
Mexico: Zorro, sombrero, mariachi, tequila

Vraag nu welke Spaanse woorden de leerlingen al kennen. Hiermee maak je het mogelijk om meteen de uitspraak te behandelen. Schrijf vooral alles op het bord.
Voorbeelden: La playa, buenos días, qué tal, el chico, la chica, mañana, paella, Lloret de Mar, flamenco, sangría, vaya con dios, etc.

♦ Er is op Youtube ook heel veel te vinden. Klik hier voor een leuk filmpje dat de leerlingen na een paar lessen al kunnen begrijpen.

1. ME LLAMO ZORRO

tekstboek
Luister samen met gesloten boek naar de dialoog en vraag wat de leerlingen begrepen hebben. Luister daarna nogmaals en lees tegelijk mee met de tekst. Daarna lezen twee leerlingen de dialoog hardop voor. Vraag wat ze opvalt aan de dialoog (zoals bijvoorbeeld het omgekeerde vraagteken). Daarna nog een keer laten lezen door twee andere leerlingen. Nu kun je de grammatica behandelen.

Benadruk ook de inhoud van de ballonnen. In deze ballonnen worden door het hele boek veel tips gegeven. Doe daarna de eerste activiteit (actividad), gevolgd door het spelletje (juego). De getallen zijn nog niet behandeld, maar je kunt de leerlingen wijzen op de getallen onderaan de pagina’s. Hierna doe je de laatste actividad. Lees als afsluiting de woordjes (vocabulario) hardop voor met de groep om zo nogmaals de uitspraak te oefenen. Hierna kunnen ze nog oefenen in tweetallen. Je kunt de les afronden met de vragen over la bandera.

LET OP: Huiswerk, als je huiswerk mee wilt geven, laat leerlingen dan het werkboek thuis invullen. Je kunt in de les nakijken. Natuurlijk moeten ze ook de woordjes leren. Maar leg wel uit hoe je woordjes moet leren. Voor veel leerlingen is het de eerste keer dat ze dat moeten doen. Kies zelf een methode of leg uit dat je eerst Spaans/Nederlands moet leren en daarna andersom. Gebruik voor het uit je hoofd leren zelf, een klein papiertje om de woorden te bedekken. Leer steeds in groepjes van vijf woordjes. Dit lijkt misschien vanzelfsprekend, maar is dat zeker niet voor alle kinderen.

Extra oefeningen met voorbeeld:
Maak op het bord een kruiswoordpuzzel van alle namen van je leerlingen. Laat de leerlingen meedenken.
Herhaal steeds de vraag: ¿Cómo te llamas? Op het bord kun je veel meer kanten uit.

1. werkboek
Tip: Alle antwoorden van het werkboek staan op deze site. Je kunt de antwoorden klassikaal nakijken (ook als spreekvaardigheidsoefening) of de kinderen zelf laten nakijken.

1.1 Vul een vorm van llamarse in . Let goed op dat kinderen me, te en se goed gebruiken. Hieronder staat een extra oefening om dit gezamenlijk op het bord te behandelen.

Zoek en verbeter de fouten:
a. Te llamo Juan. Jij heet Juan.
b. Me llama María. Ik heet Maria.
c. ¿Te llama Zorro? Heet jij Zorro?
d. ¿Cómo te llamo? Hoe heet jij?
e. ¿Cómo se llamas? Hoe heet hij/zij?

1.2 Deze oefening herhaalt het vraagwoord ¿cómo? Leg uit wat een vraagwoord is. In het Nederlands kennen ze er vast wel meer. Die komen in de volgende hoofdstukken ook in het Spaans aan de orde.

1.3 Een vertaalopdracht, die je ook kunt gebruiken voor een korte conversatieoefening in de klas. Laat de kinderen elkaar de vragen stellen. Ze moeten ze ook beantwoorden.
Let op: Dit is een van de eerste gezamenlijke spreekvaardigheidsoefeningen. Zorg dat alle kinderen meedoen. Als ze niet durven, vraag ze dan alleen hoe ze heten. Schrijf het antwoord desnoods op het bord. Als ze nu niet meedoen, wordt het later steeds moeilijker om ze mee te krijgen. Het gaat er hier dus niet zozeer om dat ze zelf dingen moeten verzinnen. Wees blij met elk woordje dat ze zeggen.

1.4/1.5 Een nieuw teken leren, kost even tijd. De motoriek moet het wel doen!

1.5 Kleuropdracht, die je zo gek kunt maken als je zelf wilt. Als huiswerk kunnen ze het beplakken of versieren. Als kinderen hun tekening laten zien, kunnen ze erbij vermelden: Es la bandera española/mexicana. Wederom: het moet niet moeilijk zijn om te praten. Het gaat er om de drempel van het spreken te overwinnen.

2. ¿QUIÉN ERES?

tekstboek
Luister naar de dialoog en vraag wat de leerlingen ervan begrijpen. Luister daarna nogmaals terwijl iedereen meeleest met de tekst. Daarna lezen twee leerlingen de dialoog hardop voor. Je kunt twee andere leerlingen het nogmaals laten lezen. Oefen de dialogen ook in tweetallen. Vervolgens behandel je de grammatica en doet de actividad en het juego.
Canción 1 Bonita banana (cd track 5) :
Voer met de kinderen een gesprekje over de (bananen)plantages van Zuid-Amerika.
Laat daarbij de volgende aspecten aan de orde komen:
– naast koffie, katoen, cacao, tabak en rijst vormt de bananenteelt een belangrijk middel van bestaan in Zuid-Amerikaanse landen
– enkele bekende merken van bananen (Chiquita, Dole…);
– de wijze waarop bananen groeien (in grote trossen, ‘families’, bij elkaar) en rijpen (van groen naar geel naar bruin);
– natuurrampen zoals vulkaanuitbarstingen, aardverschuivingen en orkanen kunnen voor de plantages enorme gevolgen hebben.

Zet nu de titel van het liedje, Bonita Banana, op het bord. Wat zou deze titel betekenen?
Natuurlijk kun je ook meteen de woorden koffie, katoen, rijst etc. in het Spaans geven.
Dat kun je in het Spaans op het bord schrijven. De leerlingen kunnen dan raden wat er naast bananen nog verbouwd wordt.

 Tips bij liedje Bonita Banana:
Het liedje is in het Engels maar het refrein is makkelijk mee te zingen. Leg eerst even uit waarover de tekst gaat en luister een paar keer naar het liedje. Verdeel de kinderen in zangers, dansers en klappers.

Extra informatie:
Bonita Banana (mooie banaan) is een combinatie van Spaanse rumba en Cubaanse salsa. Cantes de ida y vuelta worden dit soort liedjes genoemd: liedjes van komen en gaan. Lang geleden vertrokken ze uit Spanje naar Cuba. Daar werden ze beïnvloed door Afrikaanse ritmes en muziekvormen. Vervolgens keerden ze terug naar Spanje en werden ze in de flamenco opgenomen. Dat de flamenco-rumba weer op bezoek is gegaan bij de salsa uit Cuba bewijst Bonita Banana.

Bonita Banana

Op een zonnige dag in een bananenboom
Verliet de mooie Bonita Banana haar familie,
Om ver van de banananwereld weg te gaan,
Voordat haar tijd gekomen was en ze was ook nog wat groen.

Refrein
Oh mooie Bonita, Bonita Bananananana (3x)

Dus ging ze naar het platteland, want ze wist
Waar de mooiste bananenjongens groeiden.
En binnen een week ontmoette ze een jongen die Fred heette
Hij zoende haar en zei haar dit:

In de stilte van de nacht werden ze zo zacht en zoet
Dat Bonita in plaats van groen geel werd.
Ze nam haar Freddie mee naar haar bananenboom
En ze hielden een groot feest met haar familie.

Recept Bonita Banaan van Samba Salad:
Wat heb je nodig?
– 1 (goed rijpe) banaan
– geraspte kokos
– boter
– chocopasta

Pel de banaan en snijd hem doormidden en snijd die helften in de lengte weer doormidden zodat je 4 platte stukjes banaan hebt. Bak deze in de koekenpan met een klontje boter tot ze bruin zijn. Bak iedere kant ongeveer vier minuten op zacht vuur. Smeer een beetje chocopasta op de platte kant van de banaan. Besprenkel de stukjes banaan met de geraspte kokos over de chocopasta en klaar is Bonita. Maak een foto voor je PORTFOLIO.

2. werkboek
2.1 Bij deze oefening worden de leerlingen zich bewust van het verschil tussen mannelijk en vrouwelijk in het Spaans. Je kunt nog benadrukken dat elk woord of mannelijk of vrouwelijk is. Druk ze op het hart om altijd de lidwoorden bij alle woordjes te leren.

2.2 Deze oefening is gemaakt om ook in de les te behandelen als spreekvaardigheidsoefening. Ga in een kring zitten en laat iedereen om de beurt een vraag stellen aan zijn of haar buur.

2.3 De vervoeging van ser. Het is leuk om in een kring ieder de volgende vervoeging te noemen. In het begin vergissen de leerlingen zich misschien. Je kunt eventueel het werkwoord nog een keer uitschrijven op het bord. Dan is het gemakkelijker. Als dat goed gaat, kun je het wegvegen. Nu moeten ze het uit hun hoofd doen. Dit is een leuke oefening om elke les te doen, met een werkwoord. Naast de nieuwe werkwoorden, kun je ook de oude herhalen.

2.4 Hier leren de leerlingen het vraagwoord quién. Ook hier kun je een groepsoefening aan vast plakken. Vraag stellen en beantwoorden in de kring. Eerst kun jij als docent de vragen stellen, later moeten de leerlingen elkaar bevragen.

2.5 Dit is een huiswerkopdracht. Vraag ze het allemaal te doen, zodat je erover kunt praten in de volgende les. Er zijn altijd kinderen die dit niet willen. Neem daarom altijd wat reserveplaatjes mee van bekende figuren, zodat iedereen mee kan doen aan de oefening. Voorbeeld: ¿Quién es tu madre? Mi madre es Veronica. Leerling laat foto zien. Iemand die geen foto heeft, krijgt bijvoorbeeld een plaatje van Bob Esponja of South Park Cartman, Lady Gaga, Bassie of Adriaan, Asterix of Obelix, etc

3. MI ABUELA VIVE EN ESPANA

tekstboek
In dit hoofdstuk staan het werkwoord vivir en de ontkenning centraal. In de dialogen en in de grammatica wordt alleen het enkelvoud van het werkwoord vivir behandeld. Wel wordt het hele werkwoord in het rode kader aangeboden.

Luister eerst naar de dialogen met het boek dicht en vraag wat de leerlingen hebben begrepen. Je kunt ze alle drie achter elkaar behandelen. Luister daarna nogmaals terwijl iedereen meeleest met de tekst. Daarna lezen twee leerlingen de dialogen voor (elke dialoog andere leerlingen). Daarna nog een keer laten lezen in tweetallen. Vervolgens de grammatica behandelen. Doe daarna de eerste actividad, gevolgd door het juego en de tweede actividad. Behandel de uitspraak met behulp van de ballonnen:
– v/b
– j uitgesproken als g
–  Welke Spaanse woorden kennen de leerlingen met deze letters?

Juego:
Eén leerling vraagt aan de andere:

  • ¿Dónde vive San Nicolás? Antwoord: Vive en Madrid.
  • ¿Dónde vive el caballo? Vive en Holanda. (Dit is een bijvoorbeeld. Het kan ook een plaatsnaam zijn. Het antwoord maakt niet uit, als ze de vraagstelling maar oefenen).
  • ¿Dónde vive el chihuahua? El chihuahua vive en México.
  • ¿El chihuahua no vive en Holanda? No, el chihuahua vive en México.
  • ¿El elefante no vive en Holanda? No, vive en África.
  • ¿Dónde vive el toro? El toro vive en España.
  • ¿Dónde vive el panda (el oso panda)? El panda vive en China.

Tip: Deze oefening kun je eerst doen in deze vorm: ¿Dónde vive?
En daarna met de ontkenning oefenen: ¿No vive en Holanda?
Of door elkaar laten oefenen, afhankelijk van de vaardigheden van de groep.

Actividad
De tweede activiteit behandelt de ontkenning. Laat de leerlingen zoveel mogelijk vragen maken en opschrijven. Stimuleer ze door te zeggen hoeveel vragen ze al kunnen stellen na
nog maar drie hoofdstukken. Eerst zoveel mogelijk vragen opschrijven, daarna mondeling oefenen met elkaar. Leg het verschil uit tussen de verschillende manieren van antwoorden:
¿Vives en Francia? – No, vivo en Holanda = Nee, ik woon in Nederland.
No, no vivo en Holanda. = Nee, ik woon niet in Nederland.
Als je één keer no zegt, zeg je waar je wel woont, bij het andere voorbeeld gebruik je twee keer no. Dan betekent het de ene keer NEE en de andere keer NIET.

Je kunt de les afronden met de vragen over de vlaggen.

Grappige oefeningen

  • Laat de leerlingen op elkaars rug Spaanse woorden schrijven. De leerling van wie de rug is, moet het woord raden. Het mogen alleen woorden zijn uit de eerste drie lessen.
  • De leerlingen maken van vouwpapier een bloem/happertje met cijfers. Hoewel heel veel kinderen probleemloos dit figuurtje zullen vouwen, voor ons nog even op een rijtje hoe het ook alweer moest! PORTFOLIO Klik hier om een instructiefilmpje te zien. Op de achterkanten schrijven de leerlingen de Spaanse woorden. De vertaling moeten ze wel zelf kennen, natuurlijk. Een klasgenoot kiest het aantal keren dat het happertje moet wisselen. Vervolgens kiezen ze het woord dat ze willen vertalen en vertalen het.

Je kunt het ook als huiswerk opgeven om thuis zo’n vouwbloem te maken.

3. werkboek
Tip: Alle antwoorden van het werkboek staan op deze site. Je kunt de antwoorden klassikaal nakijken (ook als spreekvaardigheidsoefening) of de kinderen zelf laten nakijken.

3.1 Vul een vorm van vivir in.

3.2 Vertaal de vragen. Na het nakijken kunnen de leerlingen elkaar ook deze vragen stellen en nieuwe vragen erbij bedenken.

3.3 Beantwoord de vragen. Bij deze opdracht kun je –net als bij opdracht twee- de leerlingen elkaar de vragen laten stellen. Hier kun je ook nog de zinnen ontkennend laten maken. Hebben ze daar veel moeite mee, dan behandel je de ontkenning nog een keer.

3.4 Schrijfoefening: let er bij deze oefening op dat het lidwoord correct is.
Tip: leer de woordjes altijd met het lidwoord, ook als dat voor de hand ligt, zoals bijvoorbeeld bij la casa.

3.5 Een woordzoeker: zijn er meer dan tien woorden? Welke zijn het en wat betekenen ze? Behandel ze alleen als de leerlingen er zelf mee komen. Voorbeelden: mi, por, oro, yo, la, el, no etc.

3.6 Zet de woorden in de juiste volgorde. Dit is vaak een lastige oefening omdat nu blijkt dat de woordvolgorde in het Spaans niet hetzelfde is als in het Nederlands. Je kunt hier wat dieper op in gaan, als dat nodig is. In het Spaans komt eerst het onderwerp en daarna het werkwoord. Alle werkwoorden staan bij elkaar. Weten de leerlingen wat een onderwerp is? En een werkwoord? Herhaal indien nodig de Nederlandse grammatica.

Werkboek: Extra oefeningen pagina 8
1. Onderstreep de fout en schrijf de juiste zin erachter. Laat de leerlingen hierna zelf een zin maken met een fout. Die kunnen ze aan hun buurman geven, die hem moet verbeteren. Bij een kleine groep kun je dit ook klassikaal doen.

2. Woordkennis: hier kun je een spel van maken. Wie heeft de meeste woordjes die anderen niet hebben? Je kunt dit spel bij latere hoofdstukken herhalen. Dan kun je het per thema doen of per letter, anders worden het teveel woordjes per keer.

3. Vragen oefenen. Laat de leerlingen elkaar de vragen stellen.

4. Zet de zinnen in de goede volgorde. Je kunt de zinnen ook nog vragend laten maken of ontkennend. Ook hier kun je de oefening aangrijpen voor een conversatie.

5. Combeer de woordparen. Kennen de leerlingen nog meer paren?
Denk aan el pirata/la pirata, el perro/el gato, el niño/la niña, el actor/la actriz, bonito/bonita.

6. Werkwoordoefening: oefen deze werkwoorden in de klas in een kring. Eerst mogen de leerlingen nog in hun boek kijken, maar later niet meer. Het is de bedoeling om om de beurt zo snel mogelijk de drie vormen te noemen. Doe dit bij alle werkwoorden die je in het boek tegenkomt. Kinderen vinden het leuk en ze leren het werkwoord probleemloos uit hun hoofd. Kennen ze misschien de meervoudsvormen ook al?

4. ¿QUÉ ES?

tekstboek
Luister gezamenlijk naar de dialoog en vraag wat de leerlingen ervan begrijpen. Luister daarna nogmaals terwijl iedereen meeleest met de tekst. Daarna lezen twee leerlingen de dialoog hardop voor. Je kunt twee andere leerlingen het nogmaals laten lezen. Dit doe je ook zo met de andere twee dialogen. Oefen de dialogen daarna in tweetallen.

Vervolgens kun je de grammatica behandelen. Doe daarna de actividad, gevolgd door het juego.
Je kunt de vlaggen behandelen door bijvoorbeeld aan elkaar te vragen:¿De qué país es la bandera? Antwoord: Es la bandera de …

Grammatica: benadruk bij de grammatica dat ze dit werkwoord moeten stampen en met een voorbeeld onthouden, met hun naam. Hier kun je weer in de kring om de beurt de volgende vervoeging opnoemen, zoals eerder al aangegeven. Maak er een spelletje van.

Juego
Vraag aan elkaar: figura 1 ¿Qué es? Es una vaca.
Figura 2 Qué es? Es un oso. Etc.
Hier kun je, als dat nodig is, het verschil uitleggen tussen la/una en el/un (bepaald/onbepaald).

Vocabulario
Laat de leerlingen eerst de woordjes hardop voorlezen en daarna elkaar overhoren. Dat kan ook de les erna.

Actividad
Maak een woordweb met alle dieren die de leerlingen nu kennen. (esponja, zorro, caballo, perro, vaca, toro, elefante, oso, avestruz, flamenco)

Actividad
Laat de leerlingen een foto meenemen van een dier en dan aan elkaar vragen erover stellen, zodat ze de vragende voornaamwoorden goed kunnen oefenen. PORTFOLIO

Actividad
Vraag aan elkaar: ¿El elefante es una mascota?
Antwoord: No, (el elefante) no es una mascota.
¿El oso es una mascota? No, no es una mascota.
¿La vaca es una mascota? No, no es una mascota.

4. Werkboek
Alle antwoorden van het werkboek staan op deze site. Je kunt de antwoorden klassikaal nakijken (ook als spreekvaardigheidsoefening) of de kinderen zelf laten nakijken.

4.1 Laat de leerlingen met een dobbelsteen de vormen van het werkwoord ser oefenen.

Dit is een extra oefening, die je kunt gebruiken in de les.
Horizontaal
1. jij bent
2. jullie zijn
3. zij zijn
Verticaal
4. hij/zij is
5. ik ben
6. wij zijn
Klik hier voor de printversie voor de leerlingen. PORTFOLIO

4.2 Vormen van vivir en llamarse invullen. Hier kun je ook weer met de dobbelsteen oefenen.
Extra oefening om de werkwoorden te oefenen:
Maak de volgende zinnen af.
a. Mi padre . . . . . . . . . . . . . . .  b. ¿Dónde . . . . . . . . . . . . . . .?
c. Vivo. . . . . . . . . . . . . . . .         d. Mi amiga . . . . . . . . . . . . . .
e. Tu madre . . . . . . . . . . . . . . . f. Tú . . . . . . . . . . . . . . .
Laat de leerlingen ook zelf nog zinnen maken.

4.3 Een oefening met de vragende voornaamwoorden. Laat de leerlingen de vragen ook aan elkaar stellen en beantwoorden.

4.4 Een vertaaloefening. Je kunt deze zinnen ook vragend laten maken of ontkennend.

4.5 Stukjes zin bij elkaar zoeken. De vertaling kunnen de leerlingen in hun schrift zetten.

4.6 Ontbrekende letters invullen. Je kunt galgje spelen met deze woorden. Laat bij deze versie de eerste en laatste letter ook weg, anders is het misschien te gemakkelijk.

4.7 Zet de zinnen in de goede volgorde. Laat de leerlingen zelf ook eens een dialoogje schrijven. Ze kunnen dat dan voordragen of spelen samen met een klasgenoot.

4.8 Kleur de tekening in. Er staan ook nog kleurplaten op de site, waarvan een aantal olifanten.

5. ¿CUÁNTOS AÑOS TIENES?

Tekstboek
Luister gezamenlijk naar de dialoog met het boek gesloten. Vraag wat de leerlingen ervan begrijpen. Luister daarna nogmaals terwijl iedereen meeleest met de tekst. Daarna lezen twee leerlingen de dialoog hardop voor. Je kunt twee andere leerlingen het nogmaals laten lezen. Dit doe je ook zo met de andere drie dialogen. Oefen de dialogen daarna in tweetallen.

Vervolgens kun je de grammatica behandelen. Doe daarna de actividad, gevolgd door het juego. Je kunt de vlaggen behandelen door bijvoorbeeld aan elkaar te vragen:¿De qué país es la bandera? Antwoord: Es la bandera de …

Getallen
De getallen staan op de CD. Luister ze gezamenlijk en laat de leerlingen ze nazeggen en uit het hoofd leren. De actividad op pagina 15 behandelt de getallen. Leuke oefening om in de klas te doen!

Juego pagina 15
Bij de fiets kun je vragen: ¿Quién tiene la bici? Pablo tiene la bici.

Canción
Je kunt het liedje luisteren op de cd track 14. De tekst van dit lied kun je vinden achterin het boek op pagina 43. Het is leuk als de kinderen meezingen, dat is niet moeilijk.

Extra juego
Als je het juego op pagina 15 nogmaals wilt spelen, kun je hier een pdf met plaatjes downloaden, afdrukken en uitknippen. Als je ze verdeelt onder de leerlingen kunnen ze het opnieuw spelen.
¿Quién tiene hambe o sueño? Klik hier voor deze oefening.

Een leuke online-oefening vind je via de volgende link. Stuur de link door aan je leerlingen! Klik hier!

Extra actividad
In een rondje met leerlingen tellen. Elke vijfde persoon zegt ‘piep’ in plaats van vijf. Je kunt hier mee variëren: elke vijfde leerling staat op, draait een rondje, of maakt een gekke beweging, trekt een gekke bek etc.

Extra actividad
Tellen en tegelijk met een bal gooien. Terwijl je gooit, noem je een getal. Dit spel kun je ook doen om de werkwoorden te oefenen, bijvoorbeeld het werkwoord ser. De eerste leerling zegt soy, de tweede eres etc. Later kun je zo ook de dagen van de week en de maanden oefenen.

5. werkboek
Alle antwoorden van het werkboek staan op deze site. Je kunt de antwoorden klassikaal nakijken (ook als spreekvaardigheidsoefening) of de kinderen zelf laten nakijken.

Tip: Op de site staan nog meer extra oefeningen.
5.1 Het werkwoord tener komt hier aan bod. Het is belangrijk dat de kinderen dit werkwoord goed kunnen vervoegen. Besteed hier extra aandacht aan. Oefen het werkwoord met de dobbelsteen.

5.2 Dit is een vertaalopdracht. Als extra oefening kunnen de leerlingen de zinnen aanpassen aan hun eigen levenssituatie.

5.3 Invuloefening met het werkwoord tener. Laat de leerlingen zelf nog 6 zinnen maken met alle vervoegingen van het werkwoord.

5.4 Puzzeltje, De leerlingen kunnen de plaatjes ook een kleurtje geven of zelf een tekening maken van Zorro met een hond. PORTFOLIO

5.5 Een vertaaloefening. Laat de leerlingen uitbeelden wat ze bedoelen. De anderen moeten raden in het Spaans wat de leerling bedoelt.

5.6 Zelf een verhaaltje schrijven. Laat de leerlingen hun verhaaltje inleveren. Deel ze willekeurig uit. De leerlingen lezen het verhaaltje dat ze gekregen hebben voor. Kunnen ze raden van wie het is?

6. UN POCO DE CULTURA

Tekstboek
Luister naar de dialoog en vraag wat de leerlingen ervan begrijpen. Luister daarna nogmaals terwijl iedereen meeleest met de tekst. Daarna lezen twee leerlingen de dialoog hardop voor. Je  kunt twee andere leerlingen het nogmaals laten lezen. Dit doe je ook zo met de andere twee  dialogen. Oefen de dialogen daarna in tweetallen. Vervolgens ga je de grammatica behandelen en  daarna de actividades, gevolgd door het juego. Je kunt de vlaggen behandelen door bijvoorbeeld aan elkaar te vragen:
¿De qué país es la bandera? Antwoord: Es la bandera de …

Grammatica
In dit hoofdstuk behandelen we het werkwoord estar. Dit hoofstuk leent zich uitstekend om de topografie van Spanje te behandelen.

Juego – verzin een vraag bij elke foto
Bij dit juego kunnen ze alle vraagwoorden oefenen die ze tot nu toe hebben gehad.

Extra actividad
Net als bij hoofdstuk vier, kunnen de leerlingen bij dit hoofdstuk een foto meenemen van een familielid en elkaar daar vragen over stellen en beantwoorden. Stimuleer de leerlingen en laat zien hoeveel ze al weten.

Vocabulario
Laat de leerlingen eerst de woordjes oplezen en daarna elkaar overhoren (en/of de les erna).

Actividad
Met behulp van het kaartje van Spanje op de binnenzijde van de voorflap kunnen de leerlingen elkaar vragen stellen over de plaatsen.

Actividad
Met een atlas erbij kun je vragen stellen over de hoofdsteden van Europa en Zuid-Amerika.

Culturele Actividad
Als je hier klikt, krijg je een kaart van Spanje te zien.
Dit zijn de antwoorden bij de topografie.

A Portugal
B España
1 Barcelona
2 Zaragoza
3 Madrid
4 Valencia
5 Málaga
6 Sevilla
7 Lisboa

a Golfo de Vizcaya
b Océano Atlántico
c Mar Mediterráneo
d Tajo
e Ebro
I Pirineos
II Cataluña
III Costa Blanca
IV Costa del Sol
V Andalucía

Canción
Is er iemand jarig in de klas? Dan zingen we het liedje Cumpleaños feliz. Klik hier voor een filmpje op Youtube.

Grappig filmpje met oefening
Deze volgende link bevat een grappig filmpje over Bob Esponja en de verjaardag van een vriend. Als je een smartboard hebt, kun je het samen met je leerlingen bekijken.
Beantwoord de volgende vragen:

  • ¿Cómo se llama el amigo de Bob Esponja? Se llama Patricio (Estrella).
  • ¿Cómo se llama el amigo de Bob Esponja y Patricio? Se llama Calamardo Tentáculos.
  • ¿Dónde vive Bob Esponja? Vive en Fondo de Bikini.
  • ¿Cómo se llama el animal del juego? Se llama caballo del mar.
  • ¿Cómo se llama la casa de Bob Esponja? Es una piña.

Kleurplaat
Op de site staan meer kleurplaten zoals een kleurplaat van Bob Esponja op een zeepaardje. Leuk om uit te printen en uit te delen.

Banderas
De vlaggen zijn van Argentinië en Cuba. De leerlingen kunnen op internet thuis iets opzoeken over deze landen. In de klas kunnen ze dan één of twee zinnen in het Spaans hierover zeggen. Dat hoeft niet ingewikkeld te zijn. Hieronder staan een paar voorbeelden om de kinderen op weg te helpen.

  • La capital de Cuba se llama Havana.
  • Buenos Aires significa ‘goede luchten’ en Holandés.
  • En Cuba viven cubanos.
  • En Cuba tienen calor.
  • Argentina está en el sur de América.
  • La llama vive en Argentina.
  • Cuba es un nombre bonito.
  • Zorro no vive en Argentina, vive en México.
  • No soy argentino/a.

Actividad extra PORTFOLIO
Omdat in dit hoofdstuk ook de verjaardagen aan bod komen, is het misschien leuk om een uitnodiging voor een verjaardag te laten zien. De kinderen kunnen dan voor hun portfolio een eigen uitnodiging maken. Wat moet er allemaal in staan? Overleg met de kinderen. Klik hier voor online voorbeelden van uitnodigingen.

invitar = uitnodigen
mi cumple = mijn verjaardag
te espero = ik verwacht je
desde = vanaf
hasta = tot
en … = in (plaats)
no faltes = je moet komen (vrij vertaald)

6. werkboek
6.1 Beantwoord de vragen. Laat de leerlingen ook zelf een aantal steden of landen opzoeken. Hoe heten die in het Spaans? Denk bijvoorbeeld aan de (hoofd)steden van Europa zoals Londres, París, Bruselas, La Haya.

6.2 Lidwoorden invullen. Bij deze invuloefening zijn de lidwoorden zo in te vullen. De leerlingen kunnen ook zelf een oefening maken en die aan elkaar geven. Ze kunnen hiervoor alle woordjes gebruiken die ze tot nu toe gehad hebben.

6.3 Uitspraakoefening. Laat de leerlingen ook voorbeelden zoeken bij de letters.

6.4 Kennisvragen. Dit is een soortgelijke oefening als 1. Als je die al uitgebreid hebt gedaan, kunnen de leerlingen deze oefening zo maken. Het is wel goed als ze de belangrijkste hoofdsteden in het Spaans kennen

6.5 Sopa de letras. Woorden die de leerlingen moeten vinden zijn: playa, once, lluvia, siete, ¿cuántos?, jardín, sed, niña,hambre. Laat de kinderen ook voor elkaar een woordzoeker maken.

6.6 Verbos. Maak hier ook weer een kringoefening van. Iedere leerling moet een vervoeging noemen en de buurman/vrouw noemt de volgende in het rijtje. Dit kun je steeds sneller doen, eerst met boek en daarna zonder. Zo leren ze spelenderwijs de vervoegingen hun hoofd.

Extra oefeningen op pagina 16
1. Het werkwoord tener. De leerlingen kunnen zelf zinnen maken met de vervoegingen of vragen maken voor elkaar. Als ze het werkwoord nog niet uit hun hoofd kennen, kun je een kringoefening doen zoals bij hoofdstuk 6.

2. Vertaaloefening met tener. Je kunt deze zinnen ook vragend maken. Heeft iemand geen twee zussen? Dan moeten ze ontkennend antwoorden.

3. Leeftijden zeggen. Dit is een oefening die heel geschikt is om mondeling in de klas te doen. Stel zelf de eerste vragen, maar laat de leerlingen daarna elkaar bevragen.

4. Hier kun je iets meer vertellen over het gebruik van het werkwoord tener. Wanneer gebruik je dit werkwoord eigenlijk?
a. Bij bezit: b. Bij leeftijd: c. Vaste combinaties:
ejemplo: Tengo una bici. ejemplo: Tienes trece años. Ejemplo: Tengo miedo/prisa.
Tengo frío/hambre/sed/suerte. Op de site staan nog meer oefeningen met dit werkwoord.

5. Vertaalopdracht. Laat de leerlingen ook zelf een zin maken en vertalen. Dat kunnen ze ook voor elkaar doen.

6. Vertaalopdracht. Als extra oefening kunnen ze thuis vast een (vraag)zin bedenken voor een klasgenoot.

7. Combineer! Hier moeten de leerlingen vervoegingen herkennen. Dat kun je ook met de dobbelsteen oefenen. 1 = ik, 2 = jij etc….

7. LAS COMPRAS

Tekstboek
Luister gezamenlijk naar de dialoog met het boek gesloten. Vraag wat de leerlingen ervan begrijpen. Luister daarna nogmaals terwijl iedereen meeleest met de tekst. Daarna lezen twee leerlingen de dialoog hardop voor. Je kunt twee andere leerlingen het nogmaals laten lezen. Dit doe je ook zo met de andere drie dialogen. Oefen de dialogen daarna in tweetallen. Hardop lezen is erg belangrijk voor de spreekvaardigheid. Raad je leerlingen aan het ook thuis hardop te oefenen. Vervolgens kun je de grammatica behandelen. De juego en de actividad kun je het beste doen, nadat je de werkwoorden goed geoefend hebt.

Grammatica
Werkwoord ir en regelmatige werkwoorden op –ar.
Je kunt de werkwoorden weer herhalen door een kringoefening te doen. Iedereen noemt om de beurt de volgende vervoeging. Als je in een kring zit, kun je het steeds sneller doen.

Juego, variant
Om de werkwoorden nog beter te oefenen, kun je een spelletje spelen. Zoek plaatjes van de dieren die de kinderen al kennen, print ze uit en leg ze op tafel. Ieder kind vraagt om de beurt wat een ander kind wil kopen.
¿Qué vas a comprar? Voy a comprar.…. De kinderen kiezen iets uit de plaatjes. Dit kun je ook varieren:
¿Vas a comprar un elefante? No, no voy a comprar un elefante, voy a comprar un perro.

Grappige actividad: toneelstukjes!
Laat de leerlingen toneelstukjes schrijven over mensen die boodschappen doen, of een bar bezoeken. Ze kunnen de dialogen als basis nemen. Ook de kaartjes van de juego-variant kun je hier goed gebruiken. Je kunt dit ook nog gebruiken voor een toneeluitvoering waarbij de ouders komen kijken. Dat kun je natuurlijk zo gek maken als je zelf wilt.

Extra actividad met ir a …
Laat de leerlingen zoveel mogelijk werkwoorden opnoemen die ze vervolgens gebruiken in de constructie voy a …. Ze kunnen ook nieuwe werkwoorden opzoeken in een woordenboek. Sommige leerlingen hebben dat misschien nog nooit gedaan. Dan is het leuk om die vaardigheid ook te oefenen. De volgende oefening doet dat.

Extra actividad: hoe gebruik je een woordenboek?
Laat de leerlingen deze pagina zien op een smartboard of download hem hier en print hem . Laat ze ook met eigen woordenboeken werken. Ieder woordenboek is anders, maar er zijn wel veel overeenkomsten. Dit stukje komt uit van Dale, Groot Woordenboek.

woordenboek

  • Het dikgedrukte woord is het woord dat je zoekt. Bijvoorbeeld: voetbal
  • Dan krijg je een Romeins nummer (I of II) dat aangeeft dat er twee mogelijkheden zijn: de voetbal (de bal) en het voetbal (de sport).
  • Daarna staat aangegeven welk geslacht het woord heeft in het Nederlands. Dat kan de zijn – m (mannelijk) of v (vrouwelijk) – of het, wat onzijdig is.
  • Nu volgen de Spaanse vertalingen. Deze hebben ook een nummer. Voorbeeld: voetbal I (de(m.)) 0.1 [bal] balón (m.), pelota
    NB Achter pelota staat geen geslacht. Omdat het op een –a eindigt, weet je dat het vrouwelijk moet zijn.
  • Na het dropje ♦ volgen één of meer voorbeeldzinnen, waarbij het woord in de context wordt geplaatst. Voorbeeld: thee met een voetbad, verdedigend voetbal.
  • Als je in een Spaans woordenboek een woord niet kan vinden, is het woord dat je zoekt waarschijnlijk niet de woordenboekvorm. Kijk dan of het om een werkwoord gaat en achterhaal het hele werkwoord. Voorbeeld hiervan is sé, wat helemaal niet op saber lijkt. Soms staan er achter in het woordenboek werkwoordlijsten. Daar kun je onregelmatige vormen vaak terugvinden.
  • Spreekwoorden en gezegden zijn soms moeilijk te vinden. Ze staan bij de belangrijkste woorden uit het spreekwoord of gezegde. Voorbeeld: voetje voor voetje staat onder voet.

7. Werkboek

7.1 Contesta la pregunta. Hier verzinnen de kinderen zelf antwoorden. Laat het ze niet te ingewikkeld maken.

7.2 Traduce. Let hier vooral op de woordvolgorde bij de ontkenning in de laatste zin.

7.3 Combina. Laat de kinderen ook vertellen waarom andere opties niet kunnen.

7.4 Colorea. Op de site staan nog veel meer kleurplaten. Je kunt ze uitprinten en uitdelen. Of laat de leerlingen zelf een pizza tekenen en erbij zetten in het Spaans wat ze erop doen. Hier kun je de woordenboekoefening ook weer gebruiken. PORTFOLIO

7.5 Burbujas. Zoek de woorddelen bij elkaar. Is het gemakkelijk om alle lidwoorden te vinden. Bij welke zelfstandige naamwoorden is het moeilijk? Hebben de leerlingen nog meer woorden gevonden?

7.6 Werkwoorden vervoegen. De leerlingen moeten de werkwoorden zoveel mogelijk uit het hoofd leren. Varieer na het nakijken van deze oefening ook met andere werkwoorden op –ar zoals hablar, necesitar, esperar.
Doe iedere les een cadena met een aantal werkwoorden.

8. ¿QUÉ NECESITA USTED?

Tekstboek
Luister gezamenlijk naar de dialoog met het boek gesloten. Vraag wat de leerlingen ervan begrijpen. Luister daarna nogmaals terwijl iedereen meeleest met de tekst. Daarna lezen twee leerlingen de dialoog hardop voor. Je kunt twee andere leerlingen het nogmaals laten lezen. Dit doe je ook zo met de andere drie dialogen. Oefen de dialogen daarna in tweetallen. Hardop lezen is erg belangrijk voor de spreekvaardigheid. Raad je leerlingen aan het ook thuis hardop te oefenen. Vervolgens kun je de grammatica behandelen. De juego en de actividad kun je het beste doen, nadat je de werkwoorden goed geoefend hebt.

Grammatica
Deze les behandelt weer twee werkwoorden op –ar. Laat de leerlingen nog meer werkwoorden opnoemen op –ar zoals llamar en estar. Gaan die net zo? Oefen hiermee.

Actividad – winkeltje
Kijk eens in de kleuterklassen of daar winkelmateriaal ligt. Ook bij de Action-winkels kun je soms bijvoorbeeld kunstfruit kopen voor een kleine prijs. Misschien heb je ook nog wat mini’s van de Albert Heijn actie. (Ook die kun je trouwens op internet kopen.) Kies niet te moeilijke artikelen zoals broccoli, kaas, pizza, ijs, mais, blikje cola bijvoorbeeld.

Maar je kunt ook deze pdf downloaden en uitprinten. Dan heb je alle artikelen die de kinderen al gehad hebben meteen bij de hand. Knip de plaatjes uit en leg ze in op tafel. Nu kunnen de kinderen winkeltje spelen. Laat ze eerst de dialoog volgens het voorbeeld in les 8 volgen. Als dat goed gaat, kunnen ze zelf een dialoogje schrijven en als toneelstukje opvoeren.
Tip: Maar er een voorstelling van voor ouders de laatste vijf minuten van de les. Foto’s komen in het PORTFOLIO.

Let op! (groen ballonnetje)
Leg uit dat het in Spanje veel gewoner is om de gebiedende wijs te gebruiken dan in Nederland en België. Tenga is heel beleefd. Er bestaan voor alle werkwoorden een beleefde vorm van de gebiedende wijs.

Canción: No tengo dinero

Op de site staat behalve onderstaande tekst van dit lied ook een link naar Youtube om het te kunnen beluisteren. Je kunt ook hier klikken. De vertaling van dit lied is nogal moeilijk, dus maak het vooral niet te ingewikkeld. De vertaling staat ook niet op de site.

No tengo dinero

Los modernos lujos viven aquí
En el lugar más alto de mi ciudad
Se nutren de imágenes y de relais
Yo quisiera estar ahí más

No tengo dinero, oh

Los nuevos italianos crean aquí
Impávidos y fieros de la velocidad
Neo psichico es el sintético edén
Yo quisiera estar ahí más

Neo psichico
Besado de una dea tu eres
Patria de estos te crean (2)

Extra oefening met het Canción
Laat de kinderen tellen hoe vaak het woordje dinero wordt gezegd. Ook kun je ze laten luisteren en opschrijven hoeveel woorden ze herkennen. Deze woorden kun je dan op het bord schrijven en het lied nog een keer luisteren. Zo leren ze meteen dat je niet alle woorden hoeft te herkennen om er iets van te begrijpen. Woorden die ze sowieso al kunnen herkennen zijn: no, tengo, dinero, los, viven, en, el, yo, estar, y, de, la, es, una, tú, eres, te

8. Werkboek

8.1 Welk woord hoort niet in dit rijtje thuis? Er zijn verschillende mogelijkheden bij deze oefening. Dit zijn de antwoorden die op de site staan:

  • leche
  • supermercado (de rest is vrouwelijk)
  • café (de rest is koud)
  • vas (jij vorm, enige onregelmatige)
  • prima ( de rest is mannelijk)

Maar je kunt ook andere argumenten bedenken waardoor andere antwoorden mogelijk worden. Laat de leerlingen ook zelf een paar opgaven maken en aan hun buurman/vrouw geven.

8.2 Combineer. Ook hier zijn meerdere opties mogelijk. Kijk bij deze oefening daarom goed waarom sommige antwoorden wel of niet kunnen. Daar leren ze meer van dan alleen maar nakijken.

8.3 Combina. 1. zumo 2. supermercado 3. manzana of mango 4. panadería 5. juego

8.4 Termina la frase. Doordat de lidwoorden er al bij staan, zijn er niet veel andere mogelijkheden. Let hier op bij het nakijken. Welke winkels kennen de kinderen al?

8.5 Busca las palabras …. Laat de kinderen hardop voorlezen wat er op de slang staat, zonder pauzes tussen de woorden. Kennen ze nog meer voedingsmiddelen of fruit? Leer ze er een paar extra: fresa, sandía, melón, kiwi, uva, plátano, pera

8.6 Subraya y corrige Dit is een belangrijke grammaticale oefening. Weten de kinderen precies waarom iets fout is?

9. ME GUSTA SALIR

Tekstboek
Luister gezamenlijk naar de dialoog met het boek gesloten. Vraag wat de leerlingen ervan begrijpen. Luister daarna  nogmaals terwijl iedereen meeleest met de tekst. Daarna lezen twee leerlingen de dialoog hardop voor. Je kunt twee  andere leerlingen het nogmaals laten lezen. Dit doe je ook zo met de andere dialogen. Oefen de dialogen daarna in  tweetallen. Hardop lezen is erg belangrijk voor de spreekvaardigheid. Raad je leerlingen aan het ook thuis hardop te oefenen. Vervolgens kun je de grammatica behandelen. De juego en de actividad kun je het beste doen, nadat je de  grammatica goed geoefend hebt.

Grammatica
Werkwoord gustar wordt in dit hoofdstuk behandeld en het onregelmatige werkwoord ir. Het werkwoord gustar is vaak lastig omdat het ‘leuk vinden’ betekent, maar de constructie volgt van ‘bevallen aan’ (met een meewerkend voorwerp). Dat kun je gebruiken bij je uitleg:
Me gusta la pizza. Pizza bevalt me/aan mij. Ik houd van pizza.
Te gusta el perro. De hond bevalt je/aan jou. Jij houdt van de hond.

Ongetwijfeld gaan de kinderen meteen ook meervouden gebruiken.
Me gustan las manzanas. Appels bevallen me. Ik houd van appels.
Te gustan los animales. Dieren bevallen je. Jij houdt van dieren.

En ontkennend of vragend:
No me gustan los insectos. Insecten bevallen me niet. Ik houd niet van insecten.
¿Te gustan los tomates? Bevallen tomaten je? Houd jij van tomaten?

Doe nu de juego (pagina 23) klassikaal en de actividad in groepjes.

Juego/actividad variant
Daarna kun je de kinderen andere voorbeelden laten bedenken. Waar houden ze van of juist niet? Ze kunnen eigen woorden gebruiken, maar ook woorden uit de methode. Schrijf de woorden op het bord. Je kunt twee kolommen maken, één met enkelvoud en één met meervoud. Dan leren ze meteen goed het onderscheid tussen deze twee te maken.

Als de kinderen eraan toe zijn, kun je de hij-vorm ook toevoegen.
Le gusta el pastel. Hem/haar bevalt de taart. Hij/zij houdt van taart.
No le gusta el pastel. Hem/haar bevalt de taart niet. Hij/zij houdt niet van taart.

Nu kun je de actividad van pagina 23 doen met alle drie de vormen (ik, jij en hij/zij).
Je kunt klassikaal of in groepjes van drie om de beurt elkaar vragen stellen:
leerling 1: ¿Te gusta el perro?
leerling 2: Sí, me gusta el perro.
leerling 3 vraagt aan 1: ¿Le gusta el perro?
leerling 1: Sí, le gusta el perro?

En natuurlijk kun je de constructie ook met een werkwoord doen:
leerling 1: ¿Te gusta vivir en Holanda?
leerling 2: Sí, me gusta vivir en Holanda.
leerling 3 vraagt aan 1: ¿Le gusta vivir en Holanda?
leerling 1: Sí, le gusta vivir en Holanda.

Tip! Nederland is natuurlijk Los Países Bajos in het Spaans. Misschien is het leuk om dat nu te vertellen?

Bezittelijke voornaamwoorden
In deze les wordt een begin gemaakt met het gebruik van de bezittelijke voornaamwoorden. Vaak zijn die al eerder langsgekomen, maar je kunt er wel een oefening aan wijden. De leerlingen kunnen bijvoorbeeld vragen bedenken voor elkaar met gebruik van de plaatjes die je vindt door hier te klikken. Download de plaatjes en printen ze uit om bij deze oefening te gebruiken. Voorbeeld: ¿Te gusta mi perro? ¿Te gusta mi gato? ¿Te gusta mi nombre? Als ze andere woordjes willen gebruiken, kun je ze die laten opzoeken. Maak een lijstje op het bord. PORTFOLIO

Werkwoord ir
Het werkwoord ir wordt nu ook in het meervoud gegeven. Daar kun je weer een cadena-oefening mee doen: zo snel mogelijk in een kring geeft elk kind de volgende vervoeging. Laat ze daarna elk een vraag maken met dit werkwoord.
Voorbeeld: ¿Vas a España? ¿Vamos a tomar una coca cola? ¿Vais a salir? etc.

9. Werkboek

9.1 Maak zinnen met vamos. Hier kun je vraagzinnen van maken die de kinderen dan weer aan elkaar stellen.

9.2 Beantwoord de vragen. Doe deze oefening ook klassikaal en met andere woorden.

9.3 Vertaal. Hier staat de hij/zij vorm nog niet bij. Je kunt vragen of de kinderen de zinnen in de derde persoon willen zetten. In deze oefening wordt ook het onbepaald lidwoord gebruikt. Leg als dat nodig is, uit wat het verschil is tussen de/het en een. We laten het verschil in het gebruik van lidwoorden tussen Spanje en Nederland hier nog buiten beschouwing.

9.4 Wat vind je leuk? Dit is een vrije oefening, die wel heel leuk klassikaal kan worden behandeld. Wat vinden de kinderen er zelf van?

9.5 De geheime code. PORTFOLIO
Laat de kinderen zelf thuis ook een geheime code maken. Dat mag ook op een andere manier, zoals bijvoorbeeld de illustratie links weergeeft. Die kunnen ze de volgende les aan elkaar geven. Wel in het Spaans uiteraard!

9.6 Combineer en vertaal. Bij deze oefening is het van belang dat je samen nakijkt waarom niet elke mogelijkheid kan. Waarom is dat eigenlijk? Zo herhaal je veel grammatica.

9.7 Invuloefening. Ook hier hardop voorlezen!

Werkboek – Extra oefeningen op pagina 24
1. Maak ontkennend. Waar komt de onkenning/het woordje no? Besteed tijd aan de woordvolgorde. Die is in het Spaans voor stellende en vragende zinnen hetzelfde. Daarom staat er ook een omgekeerd vraagteken voor de zinnen. Hoe moet je anders weten dat het een vraag is, als de volgorde niet verandert?

LET OP: bij oefening 2 zijn letters in de oefening weggevallen. Er staat ES, maar er moet staan ESPAñA. Er staat ITA, dat moet zij BONITA.

2. Orden de zinnen. Ook hier kun je aandacht besteden aan de woordvolgorde. Eerst onderwerp, vervolgens gezegde, daarna lijdend voorwerp en bijwoordelijke bepalingen. Laat de leerlingen zelf een zin bedenken volgens dit stramien. Voorbeeld: Tu amiga no come pollo en Madrid.

3. Vertaal. Als extra oefening kun je de zinnen in het meervoud laten zetten.

4. Beantwoord de vragen. Deze oefening kun je met elkaar doen.

5. Vul in en vertaal. Welke vraagwoorden kennen de leerlingen al? Schrijf ze nog een keer op het bord.

6. Vervoeg de werkwoorden. Het is handig om elke les even een paar minuutjes te besteden aan werkwoorden. In de kring kun je ze om de beurt een vervoeging laten opzeggen, of ieder kind één werkwoord.

7. Crucigrama. 1. panadería 2. madre 3. manzana 4. padre 5. eres 6. leche 7. sed 8. dos 9. tía 10. al 11. vas
Let op: Nummer tien bevat nieuwe informatie: a + el = al. Dat hebben de kinderen nog niet eerder gehad. Hier volgen een paar voorbeelden aan de hand waarvan je het kunt uitleggen.
Voorbeelden: Voy al museo. Vamos al restaurante. Maar: Vamos a la playa.

10. EN EL RESTAURANTE

Tekstboek
Luister gezamenlijk naar de dialoog met het boek gesloten. Vraag wat de leerlingen ervan begrijpen. Luister daarna nogmaals terwijl iedereen meeleest met de tekst. Daarna lezen twee leerlingen de dialoog hardop voor. Je kunt twee ande11.re leerlingen het nogmaals laten lezen. Dit doe je ook zo met de andere dialogen. Oefen de dialogen daarna in tweetallen. Hardop lezen is erg belangrijk voor de spreekvaardigheid. Raad je leerlingen aan het ook thuis hardop te oefenen. Vervolgens kun je de grammatica behandelen. De juego en de actividad kun je het beste doen, nadat je de grammatica goed geoefend hebt.

Grammatica
Deze les komen de werkwoorden op –er aan bod, met als voorbeeld comer en beber. Kijk of de kinderen een ander werkwoord volgens dezelfde regels kunnen vervoegen, zoals correr, leer, aprender of vender.

Actividad – Woorden opnoemen of opschrijven
Deze oefening kun je ook doen met alle woorden die al behandeld zijn. Tel dan alleen de woorden die niemand anders heeft. Schrijf nieuwe woorden op het bord.
Je kunt ook samen een woordweb maken met alle etenswaren of alle dierennamen.

Actividad PORTFOLIO
Dit rollenspel kun je gebruiken om voor de ouders of de andere leerlingen op te voeren (bijvoorbeeld tijdens een speciale les, zoals kerst of de laatste les voor een vakantie.) Gebruik dan verkleedkleren en laat de kinderen er zelf meer dialoog bij schrijven. Dan kunnen ze het ook in hun portfolio zetten.

Alimentarse (cd track 56)

Si fuerte y listo quieres ser
escucha bien
lo que hay que comer.
Si te aprendes la canción,
hoy sabrás qué es lo mejor.

Desayuno, leche y cereales
zumo, fruta y un yogurt.
Para comer,
un plato de pasta,
carne o pescado y ensalada,
un bocata
en la merienda
y legumbres en la cena.
No te olvides de comer fruta
sea naranja o melón,
manzanas, kiwis
o mandarinas,
ciruelas o melocotón.

Piensa también en la verdura,
necesaria en cualquier dieta
Espinacas y lechuga,
coliflor y berenjena.
¡Un buen plato cada día
un buen plato cada día,
no te faltará energía!

Klik hier om een pdf te openen met een luisteroefening.
Klik hier om een pdf te openen met een oefening over tekstbegrip.

Neem ook eens wat kunstfruit mee om weer winkeltje mee te spelen. Je kunt het soms goedkoop kopen bij de Actionwinkels. De leerlingen kunnen ook zelf plaatjes kleuren van fruit en uitknippen.

10. Werkboek
10.1 Maak de dialoog af met de informatie uit het tekstboek. Misschien ook goed om hier de vertalingen van beide zinnen te zetten.

10.2 Responde. Als dit nog moeilijk is, kun je deze oefening eerst in het Nederlands doen. Daar antwoord je ook op de vraag: Wat neem jij? met IK neem …. Wat nemen jullie? WIJ nemen ….

10.3/4 Wat neemt Elena/Zorro? Bij deze oefening is het de bedoeling dat je het tekstboek volgt.
Extra actividad: De leerlingen vullen zelf in wat ze willen nemen. Je kunt er een toneelstukje van maken.

10.5 Vul in. Deze oefening kun je gezamenlijk nakijken. Er zijn meerdere oplossingen mogelijk en het is leuk om dit te spelen in de klas. Als een leerling iets anders zegt dan verwacht, moet er ook een ander antwoord komen.

10.6 Hoe zeg je dit in het Spaans? Met deze zinnen kunnen de kinderen hun spreekvaardigheid uitbreiden. Ze kunnen ze uit het hoofd leren, maar moeten wel de inhoud kunnen veranderen.

Extra: Print een kleurplaat uit van de site van dibujosparacolorearonline.es of klik hier.

11. TE ESCRIBO UNA CARTA

Tekstboek
Luister gezamenlijk naar de dialoog met het boek gesloten. Vraag wat de leerlingen ervan begrijpen. Luister daarna nogmaals terwijl iedereen meeleest met de tekst. Daarna lezen twee leerlingen de dialoog hardop voor. Je kunt twee andere leerlingen het nogmaals laten lezen. Dit doe je ook zo met de andere dialoog. Oefen de dialogen daarna in tweetallen. Hardop lezen is erg belangrijk voor de spreekvaardigheid. Raad je leerlingen aan het ook thuis hardop te oefenen. Vervolgens kun je de grammatica behandelen. De juego en de actividad kun je het beste doen, nadat je de grammatica goed geoefend hebt.

Grammatica
Werkwoorden op –ir komen in dit hoofdstuk aan bod. Laat zien dat regelmatige werkwoorden op –ir allemaal dezelfde uitgangen krijgen. Gebruik hiervoor de werkwoorden: vivir, abrir (openen), recibir (ontvangen), subir (instappen/omhoog gaan), permitir (toestaan). Het geeft niet dat ze de werkwoorden nog niet kennen. Het gaat er juist om dat ze het systeem kunnen toepassen, met welk werkwoord dan ook. Klik hier voor een korte oefening op de computer met deze werkwoorden. Die kun je klassikaal doen, maar ook thuis laten maken.

Querer – willencadena oefening
Het werkwoord querer is een belangrijk werkwoord. Oefen het weer in de kring, of op het rijtje: ieder kind een vervoeging. Laat ze ook eens een voorbeeldzin maken met dit werkwoord.

Usted
In dit hoofdstuk wordt het persoonlijk voornaamwoord ‘u’ behandeld. Dat staat in het Spaans in de derde persoon, maar in het Nederlands in de tweede persoon. Als de kinderen dat nog niet weten, is het verstandiger daar verder niet op in te gaan. Usted hoort gewoon bij de derde vervoeging. Je kunt dit oefenen door oefeningen uit de vorige hoofdstukken te herhalen maar nu met usted. Laat ze elkaar met u aanspreken. Ze kunnen dan ook een andere identiteit aannemen.
Por ejemplo: ¿Cómo se llama usted? Me llamo Bob Esponja.
¿Dónde vive usted? Vivo en el mar.

♦ In het groene ballonnetje wordt het werkwoord preferir kort aangestipt.
We behandelen nu alleen de drie eerste vormen. Gebruik dit werkwoord bij de juego.

Kleuren
Leg uit dat de kleuren die eindigen op een –o in het enkelvoud meeverbuigen (veranderen) en de rest niet. Azul, verde, marrón en gris veranderen dus niet. Rosa, naranja en violeta veranderen in het enkelvoud ook niet. In het meervouw veranderen wel alle kleuren en krijgen een -s of -es.

Juego met de kleuren en het vraagwoord ¿cuál?
De kleuren oefen je door te vragen wat de lievelingskleur is van een leerling. Nu gaan we ook het vraagwoord ¿cuál? gebruiken. Dit hebben we niet eerder gedaan. Hier is een extra uitleg die je kunt gebruiken tijdens de les.
¿Qué? betekent in principe wat. Het vraagt naar een definitie of karakteristieke eigenschap.
¿Cuál? betekent welke en vraagt naar een keuze tussen een aantal mogelijkheden.
¿Qué es esto? Es un libro con poemas. ¿Qué es ajo? Es una planta para comer.¿Qué comes? ¿Qué haces? ¿Qué es una mesquita?
Maar: ¿Cuál es tu nombre?, ¿Cuál es tu número de teléfono?, ¿Cuál es tu correo electrónico?, ¿Cuál es tu dirección?, ¿Cuál es tu libro? Cual gebruik je meestal met het werkwoord ser.
Let op: Cuál kan niet voor een zelfstandig naamwoord staan.
Dus: ¿Qué color prefieres? Extra oefening met kleuren
Een aardige luisteroefening staat hier. De kinderen kunnen de uitspraak van de kleuren oefenen. Ook door hier te klikken krijg je een leuke oefening met de kleuren. De leerlingen horen een kleur en moeten het bijbehorende potlood erbij zoeken.

Extra oefening met de getallen
Digischool heeft ook leuke oefeningen: klik hier voor een luisteroefening met de getallen die de leerlingen online kunnen maken.

Actividad
bij de eerste Actividad noemen de kinderen om de beurt een kleur en zoeken daar een voorbeeld bij. Bij de tweede Actividad gebruiken de kinderen het werkwoord querer. Dit kun je ook afwisselen met het werkwoord preferir.

Extra actividad
Hierna volgt een oefening die je met een smart-board kunt doen. Zo hoeven de kinderen niet lang na te denken over voorbeelden, maar kunnen direct aan de slag met de kleuren. Dit is meteen een herhaling van de woordenschat.

Ejercicio con los colores

  • Bob Esponja es …………………….
  • El pato Donald es …………………….
  • Un zorro es ………… y …………..
  • Un toro es …………
  • Un caballo es …………
  • El oso panda es ………… y ………….
  • Un perro es …………………..
  • Un elefante es ………….
  • Una naranja es ……………………..
  • Una vaca es ……………… y ………….…
  • Un coche es …………………..
  • El mole es …………………..
  • Una bici es …………….

Canción – vamos a reciclar (track 57)
Hier volgt eerst de gehele tekst. Als je hier klikt, krijg je een oefening waar woorden zijn weggelaten en met een aantal vragen. Je kunt de oefeningen uitprinten en gebruiken in de les.

Cada cosa en su lugar
Es donde debe estar
No ensuciemos nuestro hogar, ¡Vamos a reciclar!

Los contenedores son
De cuatro colores,
Por las calles al pasar,
Nos invita a reciclar

El verde quiere el vidrio,
Comida en el marrón
En el amarillo sólo el plástico,
Y en el azul papel y cartón.
Cada cosa en su lugar…

En la desechería
Todo aprovecharán.
Si no has ido todavía,
No te lo pienses más
Cada cosa en su lugar …

Vocabulario:
cada cosa = ieder ding
lugar = plaats
no ensuciemos = laten we niet vies maken
nuestro hogar = ons huis (thuis)
la calle = de straat
nos invita = nodigt ons uit
el vidrio -= glas
comida = eten
papel = papier
la desechería = de gemeentewerf (afvalbrengstation)
aprovecharán = zij zullen er profijt van hebben

11. Werkboek

11.1 Termina el diálogo. De kinderen beantwoorden de zinnen met behulp van dialoog 1 in het boek. Hierna kunnen ze ook zelf antwoorden verzinnen.

11.2 Contesta a las preguntas. Dit is een oefening, die je in de klas samen kunt behandelen.

11.3 Completa. Bij deze oefening moeten de kinderen het woordenboek gebruiken, als ze de woordjes niet kennen. In de handleiding bij hoofdstuk 7 staat een oefening voor het gebruik van het woordenboek. Hoewel internet hierin zeker een functie vervult, blijft het handig om het opzoeken in een woordenboek als vaardigheid te bezitten.

11.4 Completa las frases. De leerlingen moeten hier de ontbrekende woordjes invullen met behulp van de dialogen uit het tekstboek. Bij deze oefening kun je goed zien of ze de teksten begrepen hebben en hoe je werkwoorden moet vervoegen.

11.5 Colorea el mapa. Dit is een oefening voor de algemene ontwikkeling. Je kunt de kinderen vragen welke plekken ze allemaal nog meer kennen in Spanje. Gebruik onderstaande kaart als je een smart-board hebt. Deze kaart staat ook op de binnenflap van het tekstboek.

11.6 Vertaaloefening. Zinnen van het Nederlands in het Spaans zetten. Bij deze oefening kun je ook de ontkenning extra oefenen, door alle zinnen ontkennend te laten maken.

12. UN POCO MÁS DE CULTURA

Tekstboek
Luister gezamenlijk naar de dialogen met het boek gesloten. Vraag wat de leerlingen ervan begrijpen. Luister daarna nogmaals terwijl iedereen meeleest met de tekst. Daarna lezen twee leerlingen de dialoog hardop voor. Je kunt twee andere leerlingen het nogmaals laten  lezen. Dit doe je ook zo met de andere dialoog. Oefen de dialogen daarna in tweetallen. Hardop lezen is erg belangrijk voor de spreekvaardigheid. Raad je leerlingen aan het ook thuis hardop te oefenen. Vervolgens kun je de grammatica behandelen. De juego en de actividades kun je het beste doen, nadat je de grammatica goed geoefend hebt.

Tapas
Dit hoofdstuk gaat over tapas. Misschien is het leuk om te vertellen waar het woord tapas vandaan komt. De volgende tekst komt deels van Wikipedia.

De oorsprong van de ‘tapa’ is afgeleid van het Spaanse werkwoord ‘tapar’, hetgeen afdekken of bedekken betekent. Op basis van deze betekenis wordt vaak verondersteld dat tapas zijn ontstaan uit de gewoonte om een drankje letterlijk met een stuk brood af te dekken, dit om te voorkomen dat er bijvoorbeeld vliegen in het glas zouden komen.
De oorsprong zou terug te voeren zijn tot 1500 en keizer Karel V. Onder zijn bewind vertrok van het zuiden van Spanje om het uur een paard en ruiter naar de Zuidelijke Nederlanden waar Margaretha van Parma zijn vertegenwoordigster was. Onderweg stopten de ruiters vaak in herbergen om iets te drinken. Al snel werd vastgesteld dat heel wat ruiters ronduit dronken op hun paard zaten, dus heeft Keizer Karel geordonneerd dat alle herbergen in Spanje bij de drank ook voedsel moesten aanbieden. Zodoende werd vermeden dat de ruiters enkel wijn of alcohol dronken en geen voedsel tot zich namen. Vandaar het gebruik om (voornamelijk in Spanje) kleine hapjes, tapas, bij de drank te serveren.

Grammatica
Saber – Het werkwoord saber wordt hier geintroduceerd.

Extra actividad: Laat de kinderen thuis een gemakkelijke vraag formuleren. Op school wisselen de leerlingen de vragen uit en beantwoorden de vragen. Als het een te moeilijke vraag is geweest, kunnen ze antwoorden met ‘No lo sé’. Dit kan schriftelijk, in groepjes of klassikaal.

Tener que – moeten
Dit betekent in combinatie met een heel werkwoord ‘moeten’. Zoek er gezamenlijk meer voorbeelden bij en stel elkaar daar vragen over. ¿Tienes que comer? ¿Tienes que dormir?

Juego – Doel is het herhalen van de woordenschat.
Dit spel bestaat uit een ketting van woorden waarvan de laatste letter steeds de eerste letter is voor het volgende woord. Als het niet meer lukt nieuwe woorden te vinden, kunnen de kinderen ook achterin bij de woordenlijkst kijken.

Tip: Het is ook leuk om dit spel met twee letters te spelen: casa – sana – naranja – jamón etc. Denk er ook aan dat je de vervoegingen van de werkwoorden kunt gebruiken: como – mono etc. of comes – esponja

Actividad – woordweb
Maak een woordweb op het bord. Misschien kennen de kinderen wel meer tapas?
Denk hierbij aan: Tortilla de patatas, gambas al ajillo, patatas alioli, chorizo, gazpacho, sepia a la plancha, paella.
Tip: Nu kun je gustar mooi oefenen. Als alle tapas op het bord staan, vraag je elkaar:
¿Te gusta el jamón? Sí, me gusta. No, no me gusta.

Let op: bij de albóndigas en patatas bravas moeten de leerlingen me gustan gebruiken!

Actividad – Jugar al ahorcado
Laat ook de eerste en laatste letter weg als je het spel begint, anders is het te gemakkelijk.

Actividad – c¿De qué color es ….?
De kinderen gebruiken de plaatjes om de kleuren te herhalen. Ze kunnen ook zelf meer voorbeelden bedenken, met de woordjes die ze al gehad hebben.

12. werkboek
12.1 Haz palabras – maak begrijpelijke woorden van deze letterhoopjes. De antwoorden zijn: rojo, color, hablar, idea en cartas.

12.2 Kleuren! Als blijkt dat de kinderen kleurplaten heel leuk vinden, staan er op de site nog meer kleurplaten.

Extra actividad: vertel wat je ziet op het plaatje. Veo un barco, veo a Zorro, veo el mar, etc Misschien is het handig om het werkwoord ver op het bord te schrijven met de eerste drie vervoegingen bijvoorbeeld.

12.3 Traduce. Als de kinderen dit goed kunnen vertalen, blijkt hoeveel ze al weten. Je kunt met deze oefening variëren door het kind zijn of haar eigen verhaal te laten vertellen. PORTFOLIO

12.4 El artículo. Natuurlijk weten de kinderen al dat elk zelfstandig naamwoord in het Spaans mannelijk of vrouwelijk is. Inmiddels weten ze dat bijvoeglijke naamwoorden zich richten naar het zelfstandig naamwoord. Deze kennis is ook van belang in breder perspectief. Andere talen hebben dit vaak ook. Het is aan te raden deze eerste kennismaking met dit fenomeen goed te bespreken. Hoe beter ze de lidwoorden bij de zelfstandige naamwoorden leren, hoe gemakkelijker ze de taal leren. Welke taal dan ook …

12.5 Werkwoordsvervoegingen. Als de kinderen de vervoegingen nog niet (goed) kennen, is het nu zaak daar nog eens flink aan te trekken. Oefen in een kring, of met dobbelstenen. Er staat een kwartetspel op de site waarmee je ook de werkwoorden oefent. Je kunt hem vinden bij Extra lesmateriaal, Spelletjes, 7. kwartespel. Uitprinten, eventueel plastificeren en spelen maar! Tip: maak meerdere setjes en speel in groepjes van drie of vier.

12.6 Traduce. Nu eens een vertaling naar het Nederlands.

13. ¿DÓNDE ESTÁS?

Tekstboek
Luister gezamenlijk naar de dialoog met het boek gesloten. Vraag wat de leerlingen ervan begrijpen. Luister daarna nogmaals terwijl iedereen meeleest met de tekst. Daarna lezen twee leerlingen de dialoog hardop voor. Je kunt twee andere leerlingen het nogmaals laten lezen. Dit doe je ook zo met de andere dialoog. Oefen de dialogen daarna in tweetallen. Hardop lezen is erg belangrijk voor de spreekvaardigheid. Raad je leerlingen aan het ook thuis hardop te oefenen. Vervolgens kun je de grammatica behandelen. De juego en de actividad kun je het beste doen, nadat je de grammatica goed geoefend hebt.

Grammatica
Het werkwoord estar wordt hier opnieuw behandeld. Nu kun je beginnen met de uitleg van het verschil tussen estar en ser. In het Nederlands betekent het immers allebei zijn.
Ser = permanente situatie: kenmerk/eigenschap (bijvoorbeeld: nationaliteit, kleur, herkomst, tijd, bezit, materiaal.)

Voorbeelden:

  • Ik ben Spaanse. Soy española.
  • Jij bent intelligent. Eres inteligente.
  • Elena is knap. Elena es guapa.
  • De naam is mooi. El nombre es bonito.
  • Mijn vader komt uit Mexico. Mi padre es de México.
  • Het is vandaag maandag. Hoy es lunes.
  • Deze hond is van mijn moeder. Este perro es de mi madre.
  • Is het van chocola? ¿Es de chocolate?
  • Het paard is zwart. El caballo es negro.
  • Het huis is wit. La casa es blanca.

Let op: Het naamwoordelijk deel van de zin verbuigt mee.

Estar = zich bevinden (staan, liggen, zitten, zijn)

Voorbeelden:

  • Het boek ligt op tafel. El libro está en la mesa.
  • De auto staat in de garage. El coche está en el garaje.
  • De appels zitten in de tas. La manzanas están en el bolso.
  • Wij zitten in de bus. Estamos en el autobús.
  • Ze staan in de tuin. Están en el jardín.
  • Zijn jullie thuis? ¿Estáis en casa?

Je hoeft hier niet diep op in te gaan. Kinderen nemen dit gemakkelijk over en gebruiken het zonder bij na te denken.

Buscar is een regelmatig werkwoord, dat precies zo gaat als comprar, tomar, esperar en necesitar. Oefen ook hier weer een keer in de kring: om de beurt zeggen de kinderen de volgende vervoeging.

Tip: herhaal nu ook de andere werkwoorden meteen. Als je dit iedere les 5 minuten doet, onthouden ze alles veel beter en wordt het een leuk spel. Werkwoorden die ze tot nu toe gehad hebben: llamarse (enkelvoud), ser, vivir, tener, estar, ir, comprar, tomar, esperar, necesitar, gustar (2 vormen), comer, beber, escribir, querer, saber, buscar.
Je kunt ze ook online laten oefenen door hier te klikken en de link naar je leerlingen door te struen. Ook al kennen de kinderen bij deze oefening niet alle werkwoorden, ze zullen er toch van leren. Gebruik hiervoor ook de handige werkwoordkaartjes. Die kun je hier downloaden en uitprinten.

Persoonlijk voornaamwoord
We behandelen nu pas de persoonlijke voornaamwoorden als onderwerp gebruikt. Zo hopen we te voorkomen dat kinderen het blijven gebruiken, net als in het Nederlands. Deze verdeling in zes groepen is voor alle talen hetzelfde. Ook de werkwoorden worden in deze zes groepen (eigenlijk drie enkelvoud en drie meervoud) verdeeld. Hier staan kinderen vaak niet bij stil.

Extra actividad
We oefenen met de letters. We hebben niet eerder het spellen uitgebreid behandeld. Nu kun je daar misschien iets meer op ingaan. Vooral de letters die anders zijn dan in het Nederlands, zoals de jota, hache, eñe, cu, uve, doble uve, equis, i griega, zeta. Behandel ze vooral als de e-mailadressen van de kinderen die letters bevatten. Laat de kinderen hun naam (nombre) en achternaam (apellido) spellen. Kijk voor het volledige alfabet achterin het boek, bij het grammaticagedeelte op blz. 46. Daarmee kunnen ze oefenen.

Juego – werkwoorden
De kinderen herhalen de werkwoorden hier. Je kunt hier klikken voor kaartjes met werkwoorden die je kunt uitprinten en op tafel leggen. Zo hoeven de kinderen niet zo lang na te denken welk werkwoord ze moeten kiezen. Ze wijzen het dan gewoon aan en zeggen hardop de vervoeging. Ze kunnen ook de dobbelsteen gebruiken of elkaar opdrachten geven: ik-, jij-, hij-, wij-, jullie- of de zij-vorm.

Tip Op deze site staan nog meer spelletjes om de werkwoorden te oefenen

Actividad – obra de teatro
Dit is een leuke activiteit om bijvoorbeeld voor de ouders en/of de school op te voeren. Je kunt de uitgesproken tekst ter plekke laten vertalen door een leerling uit je groep. Je kunt het zo gek maken als je zelf wilt, met bijpassende kleding en muziek. Je kunt er nog personages bij laten figureren zoals Zorro, een ober en andere gasten in het restaurant. Bedenk daarbij dat het zeer zinvol is om af en toe stukjes teskt uit het hoofd te leren.

13. Werkboek
13.1 Contesta a las preguntas. Je moet hier antwoord geven op vragen die over de tekst gaan.

13.2 Verbos. Het werkwoord estar en saber worden hier vervoegd. Eigenlijk moeten de leerlingen die nu uit hun hoofd kennen. Als dat niet zo is, kun je het herhalen.

13.3 Completa y traduce. Hier moeten de leerlingen werkwoorden vervoegen en de zinnen daarna vertalen.

13.4 Otro código secreto. De letters staan hier door elkaar. Laat de kinderen ook zelf een geheime code maken en die aan hun buurman geven. Je kunt dit als huiswerk geven en daarna in hun portfolio bijvoegen. PORTFOLIO

13.5 Maak zinnen. Als je deze oefening gezamenlijk nakijkt, kun je ook vragen waarom kinderen voor deze antwoorden gekozen hebben.

13.6 Sopa de letras. De kleuren worden herhaald.

13.7 Colorea el sueño de Zorro. Laat de kinderen zelf een stripje maken over Zorro met tekstballonnetjes. Die kunnen ze dan in hun portfolio stoppen. PORTFOLIO

Tip voor extra overhoring:
Je kunt een extra leesvaardigheidsoefening als overhoring geven. Hier zijn wat voorbeeldvragen voor zo’n testje. Gebruik daarvoor dialoog 2 van les 11:

  • ¿Por qué no le gusta a Zorro escribir cartas a mano? Porque es mucho trabajo.
  • ¿Qué color no le gusta a Zorro? A Zorro no le gusta el color rosa.
  • ¿Qué color prefiere Zorro? Zorro prefiere el color azul.
  • ¿Cuál es el color del amor? El color del amor es rojo.
  • ¿Qué color le gusta a Elena? A Elena le gustan todos los colores

14. ¡TE QUIERO, ZORRO!

Tekstboek
Luister gezamenlijk naar de dialoog met het boek gesloten. Vraag wat de leerlingen ervan begrijpen. Luister daarna nogmaals terwijl iedereen meeleest met de tekst. Daarna lezen twee leerlingen de dialoog hardop voor. Een derde kan de kus verzorgen, dat is altijd erg leuk! Je kunt twee andere leerlingen het nogmaals laten lezen. Dit doe je ook zo met de andere dialoog. Oefen de dialogen daarna in tweetallen. Hardop lezen is erg belangrijk voor de spreekvaardigheid. Raad je leerlingen aan het ook thuis hardop te oefenen. Vervolgens kun je de grammatica behandelen. De juego en de actividad kun je het beste doen, nadat je de grammatica goed geoefend hebt.

Grammatica
De lidwoorden, zowel de onbepaalde als bepaalde lidwoorden worden in dit hoofdstuk behandeld. Wijs erop dat woorden die eindigen op een –o vaak mannelijk zijn en die op –a vrouwelijk. Natuurlijk zijn er veel uitzonderingen op die regel. Je kunt de leerlingen laten zoeken in de vorige hoofdstukken naar woorden die niet op –a of –o eindigen. Zie ook pagina 47.

el móvil el olor la ración el país la muerte el puente
el animal el amor la canción el avestruz la leche el nombre
el español el actor la madre la noche el postre
el pastel la noche la clase el mole
el limón la clase el tomate
la capital el croasán la imagen el restaurante
la cárcel el jamón el coche
 el pan el elefante
el padre

Tip: Het is het beste om altijd het lidwoord samen met het zelfstandig naamwoord tegelijk te leren. Juist omdat er zoveel uitzonderingen zijn.

Grammatica: werkwoordcombinaties
Net als in het Nederlands, kun je ook in het Spaans meerdere werkwoorden achter elkaar krijgen. Er is dan maar één werkwoord vervoegd (de persoonsvorm). We hebben dit ook al besproken in hoofdstuk 7 bij ir a. Ook daar kwam een heel werkwoord achter het vervoegde werkwoord. Geef nu nog wat voorbeelden op het bord. Let op de woordvolgorde in het Spaans: alle werkwoorden bij elkaar.

  • Wij willen ijs eten. Queremos comer helado.
  • Zij willen Elena opbellen. Quieren llamar a Elena.
  • ¿Willen jullie niet uitgaan? ¿No queréis salir?
  • Zij gaan Elena bellen. Van a llamar a Elena.
  • Ik ga een cola nemen/drinken. Voy a tomar una coca cola.

Oefen salir klassikaal. Alleen de eerste vervoeging is onregelmatig. Schrijf salir en vivir op het bord, zodat je kunt zien dat ze op dezelfde manier verbogen worden.

Juego – rare combinaties
Sommige mensen vinden het lastig om ter plekke dingen te moeten verzinnen. Klik hier voor een pfd die je kunt downloaden en uitprinten. Met behulp van deze plaatjes kun je combinaties maken, zonder ze zelf te hoeven verzinnen. Dan kun je de juego met zelfverzonnen combinaties daarna doen.

Canción – Te quiero (track 58)
Tú eres el aire
Que quiero besar
Tú eres el cuerpo
Que quiero sentir.

Tú eres la rosa
Qué quiero mirar
Tú eres la luz
Que quiero seguir.

Tú eres la idea
Que quiero soñar
Tú eres la vida
Qué quiero vivir.

Besar, sentir, mirar
Seguir, soñar, vivir
¡Te quiero!

Canción – Te quiero (track 58)
Jij bent de lucht
Die ik wil zoenen
Jij bent het lichaam
Dat ik wil voelen.

Jij bent de roos
Die ik wil zien
Jij bent het licht
Dat ik wil volgen.

Jij bent het idee
Dat ik wil dromen
Jij bent het leven
Dat ik wil leven.

Kussen, voelen, kijken
Volgen, dromen, leven
Ik hou van je!

Luister het liedje klassikaal:

  • Wat hebben de leerlingen begrepen?

Luister nogmaals:

  • De leerlingen schrijven de woorden op die ze kennen.
  • Behandel nu de hele tekst.
  • Haal de werkwoorden eruit en vervoeg ze helemaal.
  • Zet de tekst in het meervoud.
  • Zing het lied mee.

Tip: Je kunt het lied ook zingen op een ouderavond, waarop je de toneelstukjes uitvoert.

Extra Actividad: Maak een gedicht van vijf zinnen over de liefde, dieren, eten of een ander onderwerp. Dit kan natuurlijk uitstekend in het portfolio van de leerlingen. PORTFOLIO
Regels: Maak het niet te ingewikkeld. Gebruik alleen woorden uit het boek. Het hoeft niet te rijmen. Wel kun je het gedicht op een bijzondere manier presenter in of met een mooie tekening. Als voorbeeld zie je hier een gedicht van Federico Garcia Lorca. Klik voor meer informatie over deze dichter.

Eres amarilla, verde y rosa,mariposaaire
Mi bonita mariposa,
Con muchos colores románticos,
Eres siempre mi amiga,
Estrella del jardín.

Bron: De Vlindervallei, Amersfoort

Extra actividad: maak een (kleuren)elfje
Een elfje is een gedicht van elf woorden, verdeeld over vijf regels.
Zin 1 bestaat uit 1 woord: een kleur bloedzwart roja
Zin 2 uit 2 woorden: zelfst.nw. mijn hart una manzana
Zin 3 uit 3 woorden: een plaats in de kast en la mesa
Zin 4 uit 4 woorden: werkwoord ik haal het eruit la voy a comer
Zin 5 uit 1 woord: samenvatting/clou kopen? ¿vale? 

Mariposa del aire de Federico García Lorca

 

14. werkboek
14.1 Contesta a las preguntas. Deze oefening moeten de leerlingen naar eigen idee invullen. Sommigen zullen wel van paarden houden, anderen niet. Het is leuk om deze oefening klassikaal of in tweetallen na te kijken.

Extra: je kunt van de eerste oefening een spel van maken. Verdeel de klas steeds in twee groepen naar gelang hun voorkeur: wel/niet houden van paarden, van fruit, van in een restaurant eten, van koffie of van skieën. De docent zegt: a la izquierda: te gusta ….., a la derecha: no te gusta.
De kinderen verwisselen steeds van plek. Is er ook wel eens een vak leeg?

14.2 Comleta. Deze oefening herhaalt de basisstof van voorgaande hoofdstukken.

14.3 ¿Qué es? De leerlingen combineren het woord met de beschrijving.

Extra: Je kunt als extra opdracht vragen of de kinderen iets/een plaatje van thuis meenemen en dat beschrijven in één zin. Voor de spontane conversatie kun je ook zelf wat plaatjes of poppetjes/diertjes meenemen. In de speelgoedwinkel zijn soms aanbiedingen met bijvoorbeeld poppetjes als smurfen of dieren. Ook de supermarkten hebben soms spaaracties. Lego of playmobielpoppetjes en diertjes zijn ook prima.
Opdracht: Neem wat mee van thuis en zeg er iets over in 2 of 3 zinnen.
Voorbeeld: Este es un elefante. Es gris y grande. Come verdura.
Es un pitufo. Es azul y rojo. Es pequeño.
Gebruik ook plaatjes van eerdere pdf’s, bijvoorbeeld over rare combinaties.

14.4 Los artículos. Hier vul je de lidwoorden in.
Extra: de kinderen schrijven zelf nog vijf andere woorden met lidwoord op. Ga in een kring zitten. Zeg een woord zonder lidwoord tegen je buurman. Hij/zij moet het lidwoord erbij zeggen. Is het fout, dan ga je de andere kant op. Snelheid bij dit spel is belangrijk.

Op het bord kun je dit schema schrijven:

MANNELIJK

ENKELVOUD

MANNELIJK

MEERVOUD

VROUWELIJK

ENKELVOUD

VROUWELIJK

MEERVOUD

BEPAALD EL LOS LA LAS
ONBEPAALD UN UNOS UNA UNAS

 

14.5 Pequeñas palabras. Vertaal deze woorden. Ze zijn erg belangrijk. Er is een hoofdstuk in wrts speciaal voor deze woordjes. Ook kun je gebruik maken van de nieuwe site Wozzol. Die heeft ook al onze lijsten en er is ook een handige app bij.

14.6 Te quiero. Het werkwoord querer is al behandeld in hoofdstuk 11. Maar in de betekenis van houden van is het nieuw. Je kunt de vervoeging weer op het bord zetten en dan of me of te ervoor plaatsten. Zo’n overzicht maakt veel duidelijk.

quiero = ik wil te quiero = ik houd van jou
quieres = jij wilt<%2