Werkwoordenschijf

werkwoordenschijf

Gebruiksaanwijzing

In je eentje: Begin met de eerste schijf. Kijk naar de Nederlandse kant. Schuif de schijf zo dat je de werkwoorden bij IK ziet staan. Begin bij het eerste werkwoord; dat is ZIJN. Raad wat IK BEN is. Kijk of het klopt op de Spaanse kant van de schijf. Ga nu door naar JIJ. Raad wat JIJ BENT is. Controleer het op de andere kant. Ga zo door tot je alle vervoegingen van ZIJN gehad hebt. Als je het niet goed doet, begin dan opnieuw, net zolang tot je het weet.
Nu kun je de schijf omkeren en vanuit het Spaans de Nederlandse vertaling raden. Als je alle vormen kent, kun je door elkaar alle vervoegingen van ZIJN oefenen: Nederlands-Spaans en Spaans-Nederlands. Dit kun je voor elk werkwoord doen.
Doe dit ook met schijf 2 en 3.

Variatie: Je kunt ook alle vormen van IK leren van alle vijf de werkwoorden die op de schijf staan. Zo zie je sneller dat de uitgangen in feite hetzelfde zijn. De ik-vorm eindigt bijna altijd op een -o, de jij-vorm eindigt bijna altijd op een -s etc. Probeer erachter te komen, wat hetzelfde is en onthoud dat.

Met 2 of 3 spelers:
Ieder neemt een schijf in zijn hand. Spreek van tevoren af of je Nederlands-Spaans of Spaans-Nederlands doet, of allebei tegelijk. Eén speler leest een vervoeging voor: bijvoorbeeld HIJ IS. De andere speler of (als je met drie spelers bent) de speler links van hem of haar zegt de Spaanse vertaling. Dan is de volgende speler aan de beurt. Als één speler het niet weet, kan de derde speler het goede antwoord proberen te geven.
Variatie: Je kunt punten toekennen voor het aantal goede antwoorden.

Met 3 of 4 spelers: Je kunt met behulp van een belletje (bijvoorbeeld van het spel Hally Gally) het wedstrijdelement verhogen.
De spelleider leest dan de vervoeging voor en de anderen moeten zo snel mogelijk bellen en het antwoord zeggen. Hier kun je ook weer punten toekennen (en aftrekken voor foute antwoorden). De spelleider kan het zo moeilijk maken als hij zelf wil. Hij houdt ook de score bij.

Variatie voor meer spelers: Je kunt de vragen ook aan een groep stellen. Zij moeten dan het juiste antwoord opschrijven. Je geeft steeds 5 werkwoordsvormen. Daarna kijk je wie de meeste goed had. De winnaar wordt spelleider van de nieuwe ronde.
Variatie voor meer spelers: Je kunt ook bij elke vraag twee keuzes geven, waaruit de spelers de goede moeten kiezen. Hiermee kun je ook de betekenissen oefenen. Bijvoorbeeld: HAAR HOND is 1. su perro 2. su gato of HAAR HOND is 1. su perro 2. tu perro. TOMO is 1. Ik neem 2. Ik kom

Variatie met een dobbelsteen: Gooi een dobbelsteen en zoek welke vorm bij het nummer hoort:

  1. Ik
  2. Jij
  3. Hij/zij/u
  4. Wij
  5. Jullie
  6. Zij

 

LET OP: Het werkwoord ZIJN komt natuurlijk twee keer voor. In het Spaans zijn er namelijk twee vertalingen van het werkwoord ZIJN: SER en ESTAR. Je moet dus ook van beide werkwoorden de vervoeging leren.

0